11. Een prototype
Onze school is in eerste instantie een platform. Een platform dat virtueel kan zijn of reëel, of iets er tussenin: virtuele realiteit.
In het geval dat we met een reële omgeving te maken hebben, kunnen we ons een architecturale constructie voorstellen waar de toeloop van leerlingen en de input die zij geven de circulatie en transformatie van het ‘gebouw’ beïnvloeden: verzamelplaatsen passen zich aan al naargelang het aantal aanwezigen, informatieschermen worden ‘in real time’ up-to-date gehouden enz. Dit reële platform is permanent toegankelijk en de leerling kan er op gelijk welk moment naar terugkeren (voor reflectie, informatie, sociaal contact, …). Het is best denkbaar dat verschillende platforms onderling een (wereldwijd) netwerk vormen.
De leerling krijgt er, op basis van zijn input (dat kan een eenvoudig “wat wil ik” zijn), een traject voorgesteld. Dit traject bestaat uit elementen uit het curriculum die noodzakelijk zijn om de door de leerling opgegeven doelstellingen te bereiken. Er worden door de verschillende leraars argumenten aangedragen om de leerling van deze noodzaak te overtuigen. De leerling kan het noodzakelijke ‘minimumpakket’ aanvullen met eigen keuzes. Ook daar hebben leraars de taak om hun eigen ‘vak’ op overtuigende wijze ‘aan te prijzen’, via de ‘mercado’ waarvan sprake in de inleiding.
Het doorlopen van dit traject (plus de eigen ‘keuzevakken’) vereist van de leerling dat hij zich vanuit het platform virtueel en/of fysiek ‘verplaatst’ naar verschillende ‘satellieten’. Het traject kan soms op willekeurige, soms op vastgelegde manier afgewerkt worden.
De satellieten zijn ‘hubs’ – ik heb ze in een vorig schrijven ‘studiolo’s’ genoemd[1] - waar de leerling kennis en/of ervaring kan verwerven via zelfsturend onderzoek, (online) tutorials of onder de begeleiding van een leraar of leraars. Zo’n hub is bijna permanent toegankelijk en bemand en de leerling kan er, net zoals bij het vertrekplatform, steeds naar terugkeren wanneer hij dat nodig, of gewoon aangenaam, vindt.
Indien deze hubs reële en fysieke constructies zijn, is het wenselijk dat zij zich op de meest diverse plekken installeren. Hun aanwezigheid moet duidelijk zijn zodat de onmiddellijke omgeving ziet en weet wat hun functie is. Op die manier kan een hub ook bezoekers aantrekken die geen leerlingen zijn maar die kunnen profiteren van wat er aangeboden wordt. De hubs zijn verplaatsbaar en dus niet honkvast (= nomadisch, rondtrekkend). De leerling (is ook nomadisch, rondtrekkend) kan er zich naartoe verplaatsen door een netwerk van openbaar vervoer of georganiseerde ‘shuttles’ die op zich ook ‘studiolo’s’ kunnen zijn.
Elk leertraject vertrekt van het principe “levenslang en levensbreed leren” en heeft dus geen minimum- of maximumtermijn. Ook de schooltijden en -dagen zijn, op z’n zachtst gezegd, ‘glijdend’[2]. Het is op basis van trajectinformatie dat de leerling wordt geëvalueerd voor wat betreft het zogenaamde ‘civiel effect’ (nu is dat het diploma) van zijn leerinspanningen.
In het netwerk van platform(s) en hubs kunnen zich, volgens het principe van de “brede school”, externe partners nestelen die elk vanuit hun specifieke werking en expertise kunnen bijdragen tot de rijkdom en diversiteit van de aangeboden leertrajecten. Dit kunnen sportclubs zijn, cultuurverenigingen, bedrijven, individuen, …
[1] “Tegen de academie, een pamflet”. tegendeacademie.blogspot.com. Uitgegeven in eigen beheer (2021).
[2] Het spreekt vanzelf dat bij een dergelijke hertekening van het onderwijsmodel ook moet nagedacht worden over het verloop van een ‘schooljaar’. Ik heb daar in mijn blog “Tegen de academie” al een voorstel over geformuleerd, meer specifiek voor wat betreft het deeltijds kunstonderwijs.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten