12. De kunst van het onderwijzen
Voor John Dewey is alle onderwijs kunstonderwijs. Niet in de betekenis van “onderwijs in de kunst”, maar wel als de “kunst van het onderwijs”. In zijn “pedagogisch credo”, gepubliceerd in 1897 (!) klinkt het als volgt: “het is mijn overtuiging dat onderwijs de perfecte en meest intieme vereniging van kunst en wetenschap is die men zich in de ervaring van mens-zijn kan voorstellen. Ik geloof ten stelligste in het feit dat, wanneer de capaciteiten van de mens op deze manier gevormd worden en ten dienste worden gesteld van de maatschappij, dit het ultieme kunstwerk is; een kunstwerk waarvoor we de beste kunstenaars moeten inzetten.”[1] (eigen vertaling).
In dat opzicht zijn leraars voor Dewey zonder meer artiesten. Hij zet die idee verder in zijn overtuiging dat al wie een taak met zorg en toewijding uitvoert in feite een kunstzinnige daad verricht. Vandaar ook zijn aandacht voor het ambacht, en het “maken” in het algemeen. Het is dan ook logisch dat voor Dewey onderwijs gelijk staat aan “doen” (“learning by doing”).
In ons model (zie vorig hoofdstuk) wordt de leerling voortdurend aangespoord om te “doen”, te handelen. In eerste instantie door actief op zoek te gaan naar een leertraject (input geven bij het startplatform), vervolgens door zich te verplaatsen en door middel van ervaringen zijn kennis te verwerven. Tijdens het traject kan ook de manuele handeling, een letterlijke interpretatie van het “doen”, de artisticiteit van het leren benadrukken. Dewey: “telkens wanneer gelijk welke materie een medium vindt die haar waarde – verbeeldingskracht en emotie - door middel van de ervaring kan aantonen, wordt ze de substantie van een kunstwerk.”[2] (eigen vertaling)
Op die manier, en op voorwaarde dat hij het leertraject “met zorg en toewijding” doorloopt, wordt ook de leerling een kunstenaar (wat ons bij Filliou brengt: "Teaching and Learning as Performing Arts").
Men zou hiertegen kunnen opwerpen dat we wel erg gul met het etiket “kunstenaar” rondzwaaien. Maar dat is nu net wat Dewey op het oog heeft. Hij is niet zo tuk op het sacraliseren van het kunstwerk en zijn maker. Het is net door het isoleren van de kunst in exclusieve enclaves (musea, galeries, privécollecties) dat een belangrijk deel van de maatschappelijke en vormende kracht van kunst verloren is gegaan. Voor Dewey is het dus essentieel dat de kunstzinnige ervaring wordt gereïntegreerd in de maatschappij en dus het dagelijks leven en dus ook in het onderwijs[3]. Dat impliceert meteen dat “kunst” ook als “vak” steeds deel moet uitmaken van gelijk welk leertraject. Een oppervlakkige blik op de lessenroosters in het huidige onderwijsaanbod leert ons hoever we hier van Dewey’s ideaal afgeweken zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten