woensdag 16 februari 2022

 

3. Van ‘fun’ tot ‘feest’

 

De school als een “Fun Palace”, het is minder gek dan het klinkt. Ik citeerde bij een vorige gelegenheid[1] John Dewey’s woorden over een onderwijs en een maatschappij “waar scholen zijn uitgerust met laboratoria, winkels, en tuinen, waar toneelstukken en spel vrij worden gebruikt, zijn er mogelijkheden om situaties van het leven te reproduceren, en om informatie en ideeën te verwerven en toe te passen in de uitvoering van progressieve ervaringen”. En nog: “er moet meer actueel materiaal zijn, meer dingen, meer apparaten en meer mogelijkheden om dingen te doen” (in “Democracy and Education, 1916).

Dit appelleert sterk aan het beeld dat we hebben gekregen van het “Fun Palace”: een hybride verzameling van mogelijkheden en activiteiten aangedreven door de meest recente technologie en de participatie van een steeds wisselend publiek.

Het is opvallend dat ook Dewey gewag maakt van het speelse element in dit alles: “waar toneelstukken en spel vrij worden gebruikt”. Het blijkt een constante in het betoog van zowat iedereen die in deze hoofdstukken ter sprake komt: leren en onderwijzen als spel.

Dat brengt ons automatisch bij het “Teaching and Learning as Performing Arts” (Keulen, 1970) van Robert Filliou waarover ik eveneens in een vorige tekst reeds uitvoerig schreef[2].

Ik herhaal hier slechts datgene wat voor mijn stelling nodig is. Voor Filliou zijn zowel onderwijzen als onderwezen worden (leren) een vorm van artistiek handelen. Dus van creëren. Wij zouden het nu een “performance” noemen. Filliou sprak van “performing arts”, een soort acteren. Deze specifieke handeling kon wat hem betreft overal en altijd plaatsvinden en had bovendien geen echte rolverdeling: “Carefree exchange of information and experience, no student, no teacher, perfect freedom, at times to talk, at times to listen”.

Deze beschrijving van wat Filliou de “Non-School” noemde, haakt perfect in op de sloganeske tekst van de “Fun Palace” brochure. Onderwijzen en leren gebeurt, zonder onderscheid des persoons, op een ongedwongen, ja zelfs speelse manier, in een leeromgeving die divers, flexibel en multifunctioneel is, afgestemd op de verlangens en behoeftes van de gebruiker en dus variabel in structuur en organisatie. Dit alles vanuit de overtuiging dat onderwijzen en leren essentiële onderdelen zijn van het grootse feest dat “leven” heet.   

 



[1] In “Over het leren van de kunst” (Politeia, Brussel 2020), p.32

[2] O.c. p. 38-39

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

  Nawoord   In tegenstelling tot de beslistheid waarmee ik in het voorgaande mijn ideeën en inspiratiebronnen beschrij...