maandag 21 februari 2022

 

8. Aanwezig zijn

 

Is het te ver gezocht een link te leggen tussen Deligny en de Zwitserse kunstenaar Thomas Hirschhorn?

Net als bij Deligny speelt bij Hirschhorn één en ander zich af in bepaald primitieve behuizing. Meer bepaald in zijn “Monument”-projecten trekt Hirschhorn de straat op, bij voorkeur in de rafelranden van de steden en knutselt daar tijdelijke optrekjes in mekaar waar hij mensen ontvangt, evenementen organiseert, informatiecentra opricht. Het zijn Price’s treinwagons in kartonnen versie.

Opvallend daarbij is dat ook voor Hirschhorn, Deligny’s “présence proche” van essentieel belang is. In een gesprek met Jacques Rancière (die ik ook al in “Over het leren van de kunst” te berde bracht) vertelt Hirschhorn daarover: “De aanwezigheid van de kunstenaar bij dergelijke projecten is niet die van een entertainer. De kunstenaar is niet aanwezig omdat hij de maker van het kunstwerk is, hij is aanwezig omdat zijn aanwezigheid van het grootste belang is. Hij is de concierge en de gebruiker, de kuisploeg en de bewaarder van zijn werk. Hij is er om van alles in orde te brengen. De kunstenaar is verantwoordelijk voor alles, zelfs voor dat wat hij niet in de hand heeft of kan voorzien: daarom moet hij aanwezig zijn. Ik moet verantwoordelijk zijn voor datgene waar ik niet verantwoordelijk ben. Dat is de nobele taak van mijn werk en de betekenis van mijn aanwezigheid. De kunstenaar is aanwezig geeft zijn tijd, deelt zijn tijd, is aanwezig omdat er niets belangrijker te doen is elders.”[1] (eigen vertaling).

Niet zo lang geleden (november 2020) greep iets gelijkaardigs plaats op de Brusselse Arduinkaai in het kader van een KVS-project van de Argentijnse regisseur Fernando Rubio. Theatermaker Pitcho Womba Konga ontving in een ruw getimmerd huisje passanten en andere bezoekers om met hen in gesprek te gaan, voor te lezen of gewoon er te zijn.

Telkens weer valt het belang op dat wordt gehecht aan een permanente aanwezigheid zonder dat deze sturend is. Een ‘nabijheid’ die zaken in gang kan zetten maar evengoed discreet en passief is. Het is geen toeval dat Hirschhorn in dialoog gaat met Jacques Rancière: die had het zelf ook al over zo’n aanwezigheid, de “maître ignorant”.

Het doet mij nadenken over de rol van een leraar, over zijn wijze van handelen, over de mogelijke kracht van een eerder stille maar intense aanwezigheid. Die ‘aanleiding geeft tot’ veeleer dan ‘bepaalt wat’.    



[1] In “Critical Laboratory; the writings of Thomas Hirschhorn” (The MIT Press, 2013) p. 376

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

  Nawoord   In tegenstelling tot de beslistheid waarmee ik in het voorgaande mijn ideeën en inspiratiebronnen beschrij...